|
|
|
|
|
Het Sprookje - De Keizer draagt geen Kleren:Er leefde eens een keizer, al heel lang geleden. Alle keizers
en koningen houden van pracht en praal. Maar deze keizer, die
was er dol op. Het meest hield hij van mooie kleren. Hij was er
gek op. Hij liet altijd nieuwe kleren voor zich maken. En hij
trok iedere dag, elke uur van de dag andere kleren aan. Altijd
stond hij voor de spiegel zijn kleren te bewonderen. Zoals ze
over keizers en koningen zeggen: "Die is even naar de
ministerraad", zo zeiden ze over deze keizer: "Die is naar de
garderobe."
En de keizer gaf ze heel veel geld, en hij gaf ze garen en zijde en goud en gouden draad. En hij gaf ze een hele mooie grote werkplaats en twee weefgetouwen. De twee oplichters stopten al het geld en goud en alles in hun eigen zak. En ze gingen aan het werk op de werkplaats. En ze werkten lange uren, en ze weefden, en ‘s avonds werkten ze nog tot laat in de nacht, om iedereen te laten zien hoe serieus het werk was. De keizer was nieuwsgierig hoe het werk vorderde, en hij wilde gaan kijken. Hij dacht: ik ga dadelijk naar de werkplaats, maar stel dat ik niets zie? Weet je wat: ik stuur iemand! Ik stuur iemand! Hij stuurde zijn eerste minister; de oudste minister, een gewaardeerd man, met een lange staat van dienst en veel ervaring. En de eerste minister ging naar de werkplaats en hij kwam naar het weefgetouw en hij keek. Lieve hemel, ik zie helemaal niets! Ik zie niets! Ben ik soms dom? Hè, dom? Neuh. Ben ik soms ongeschikt voor mijn werk? Mijn enorme staat van dienst, mijn ervaring en mijn gezag? Nee. Maar ik kan het niet laten merken. En hij zei: "Oooh, wat een mooie stoffen, ooh, wat prachtig, ooh, wat een kleuren!" De twee oplichters begonnen de stoffen te beschrijven, in
hele moeilijke woorden. En de eerste minister luisterde heel
goed om al die moeilijke woorden te kunnen onthouden en die aan
de keizer te kunnen doorvertellen. De twee ministers hebben de keizer aangeraden om van die aparte stoffen nieuwe mooie kleren te maken voor de optocht, binnenkort in de stad. De keizer zei: "Ja, dat lijkt mij heel leuk." De twee oplichters gingen gelijk aan het werk. Ze knipten patronen... en ze pakten een naald en onzichtbare garen en ze maakten kleren voor de keizer. Ze zaten de laatste avond nog te borduren en ook de laatste nacht werkten ze de hele nacht door. ‘s Ochtends kwam de keizer met het gevolg om de mooie nieuwe kleren te passen. De oplichters vroegen of de keizer zich wilde uitkleden. En dat deed ‘ie. En nu stond de keizer daar, helemaal naakt, alleen in zijn halflange witte onderbroek met strikjes. De twee oplichters deden alsof ze een broek pakten en trokken het de keizer aan. En ze deden alsof ze een overhemd pakten, en deden het aan. En een jasje, en een mantel, en een lange mooie sleep en een riem. Ze deden dat allemaal aan. De keizer stond daar in zijn nieuwe kleren en hij ging in de spiegel kijken... "Hm, hm, hmmm." En uit het gevolg kwamen twee kamerheren, die pakten de randen van de onzichtbare sleep. Toen kwam de opperceremoniemeester naar binnen en die zei: "Majesteit, de baldakijn staat klaar voor u om onder te lopen tijdens de optocht." De keizer zei: "Ik ben klaar." Hij ging met zijn hele gevolg achter hem aan, en hij liep onder de baldakijn en hij liep naar buiten door de straten van de stad. Iedereen stond al klaar; mensen in dikke rijen langs de straten, en ze hingen uit ramen in trossen. En iedereen keek uit naar de keizer in zijn nieuwe kleren, waar al wekenlang de hele stad over sprak. En iedereen dacht: ik weet zeker dat mijn buurman niets kan zien. Daar verheug ik me op! Daar kwam de keizer al aan. En iedereen zag hem... zonder z’n kleren. Maar niemand durfde dat te zeggen. Iedereen, de hele stad riep: "Ooh, majesteit, moet u eens zien wat een mooie kleren. Zoiets moois hebben wij nog nooit gezien. Van al uw kleren die wij kennen, die allemaal zo apart zijn... dit is echt, dit is het beste!" En de keizer liep, en de mensen riepen van bewondering. Totdat een klein jongetje, van tien jaar misschien, trok aan de hand van zijn vader en riep: "Pappa, pappa, hij heeft helemaal niets aan!" Er klonk gefluister: "Hij heeft helemaal niets aan." Het gefluister verspreidde zich over de hele stad als een snelle wind. De hele stad fluisterde: "Hij heeft helemaal niets aan." Het gerucht zwol aan en iedereen riep: "Maar hij heeft helemaal niets aan!" Zelfs de keizer verstond het, maar hij dacht: ik kan nu niets laten merken. Ik moet de hele optocht afmaken. Al was hij trots, zijn schaamte was groot en hij verlangde naar het einde. En zo liep hij door tot het einde van de optocht. |